Karakteristieke duinplanten met honderdduizenden zaden

Je kunt ze niet over het hoofd zien op een zomerse wandeling door het duin: de toortsen. Statige, wel twee meter hoge stengels met felgele bloemen en met grote, donzig behaarde bladeren. Ze staan op een open stukje duin, meestal alleen, soms met een paar bij elkaar. Waarschijnlijk heeft die eenzame voornaamheid geleid tot de naam van de meest algemene toorts, de koningskaars.
Je zult nooit een heel veld toortsen tegenkomen, zoals bij het blauwbloeiende slangenkruid of de teunisbloem, die andere gele bloeier. Staan ze alleen maar hier en daar, omdat er maar weinig geschikte plekjes zijn om te groeien, of zouden toortsen weinig zaden vormen? Een clubje enthousiaste studenten telde de zaden en dat zijn er nogal wat. Een koningskaars kan makkelijk 200.000 zaadjes produceren. Ze zijn wel heel klein, kleiner dan een halve millimeter en wegen nog geen-tiende milligram per stuk. Het overgrote deel van de zaadjes is kiemkrachtig en kan een nieuwe plant opleveren. Als ze dat allemaal zouden doen, zou het duin in de kortst mogelijke tijd helemaal vol staan met toortsen. Kale, wat verstoorde plekken zijn ideaal: waar konijnen hebben gegraven, langs de randen van wandelpaden en langs de routes van de grote grazers. Op al die plekken zit wat beweging in het zand. Juist omdat ze zo klein zijn, kunnen de zaden van de toorts tussen de zandkorrels doorglippen en onder een dun laagje zand terechtkomen waar nog wel licht komt en het niet direct uitdroogt.

Doornroosje
Als zaden dieper onder het zand terechtkomen, krijgen ze geen licht en kiemen niet. Op die plekken kan het zaad ‘in slaap’ vallen (dat wordt kiemrust genoemd). Het kan daar blijven ‘slapen’, totdat later, soms heel veel later, wel vijftig tot honderd jaar, de zandlaag weer wordt weggeblazen door de wind of wordt weggegraven. Pas als het zaadje weer aan licht wordt blootgesteld, gaat het alsnog kiemen. Waar en wanneer geschikte plekjes ontstaan, is onvoorspelbaar. De toortsen hebben dat probleem opgelost door als zaadje in de bodem te wachten totdat de omstandigheden gunstig zijn.
Wegzwiepen
Een toorts moet natuurlijk niet al haar duizenden zaden op één plekje laten vallen, want dat levert risico’s op. Er kan wel een boom gaan groeien die er een paar honderd jaar blijft staan. Die risico’s kunnen worden gespreid door de zaden over een groter gebied te verdelen. Sommige plantensoorten doen dat door de zaadjes van een parachuutje te voorzien, maar de evolutie heeft bij de toortsen voor een andere oplossing gezorgd. De zaden blijven tot in het najaar in de zaaddozen aan de stengel zitten, de stengel verdroogt, maar blijft elastisch. Onder de last van de najaarsstormen gaat de stengel bewegen en worden de zaden weggezwiept. Hoe hoger de stengel, des te groter het gebied waarover de zaden worden uitgespreid. Dat kan makkelijk over een afstand van meer dan tien meter. Daarmee hebben we de verklaring te pakken voor die lange toortsstengels.
Niet veilig
Hoewel de zaden ‘in slaap’ kunnen overleven, zijn ze in de bodem natuurlijk niet echt veilig. Allerlei klein gedierte is op zoek naar voedsel. Dat geldt ook voor schimmels. Het is daarom van levensbelang voor toortsen om zoveel mogelijk zaden te produceren. Dan blijft er uiteindelijk misschien nog net één over die weer een nieuwe bloeiende toorts oplevert. Ze hebben dan ook heel specifieke aanpassingen. De belangrijkste is wel, dat de meeste toortsen maar eenmaal in hun leven tot voortplanting komen. Maar dan stoppen ze ook alle energie en reservestoffen in de zaadproductie en gaan daarna dood.
Bladrozet
In hun eerste jaar groeien ze uit tot een rozet. Die kan wel een diameter bereiken van ruim 60 cm. Het bestaat uit grote ellipsvormige bladeren, bedekt met een witte viltlaag van haren. De rozetten hebben een werkelijk spectaculair uiterlijk. Onder een rozet zit een penwortel die als spaarpot fungeert voor de zaadproductie.

Tweejarig
Als de spaarpot voldoende gevuld is – af te lezen aan de grootte van een rozet -, zal de toorts in het volgend jaar, dus het tweede levensjaar, de grote investering in een stengel en bloemen en zaden maken. Planten die zich zo gedragen, worden ‘tweejarige planten’ genoemd, tegenover de eenjarige en de overblijvende planten. Maar niet elke ‘tweejarige’ bloeit al in het tweede jaar. Als de spaarpot niet groot genoeg is, wacht de plant nog een jaar en eventueel nog meer jaren tot de kritische grens bereikt is. Hoe dat precies gebeurt, weet nog niemand.
Bestuivers
Om zoveel mogelijk zaden te produceren, zijn toortsen zuinige planten. Ze maken geen of nauwelijks nectar. Bestuivers krijgen slechts stuifmeel als beloning. Ook hier biedt de lange stengel voordeel, de bloeiende toorts is al van verre te zien voor hommels en bijen.
Vraat
Tijdens je wandeling zal het opvallen dat toortsen niet veel vraatschade vertonen. Ze hebben kennelijk een goed afweersysteem. Er is wel gesuggereerd dat de sterke beharing van bladeren en stengel voorkomt dat allerlei groter gedierte ervan gaat eten. Maar in juni en juli is er wel een rups die behoorlijk kan toeslaan: de rups van de kuifvlinder. Er is iets speciaals met die rups, die een toorts-specialist is. Hij is heel opvallend gekleurd: een witte ondergrond, met heel licht blauwige tint en felgele banden met zwarte vlekjes. Maar wat ze extra opvallend maakt, is dat ze niet verstopt zitten te eten, maar bovenop de bladeren in het volle zicht. Dat opvallende gedrag hebben ze gemeen met veel giftige soorten zoals de sint-jacobsvlinder. Waarschijnlijk halen ze een gifstof uit de toorts die ze voor hun eigen bescherming gebruiken. Niemand heeft dat nog uitgezocht.

Verschillende soorten
De ‘Flora van Nederland’ vermeldt acht verschillende toortssoorten. Drie daarvan kun je zomaar tegenkomen in de duinen. De koningskaars is de meest algemene, een echte duinsoort, daarna volgt de stalkaars en vervolgens de zwarte toorts. Een paar andere soorten in de duinen zijn (lokaal ingeburgerde) ontsnapte tuinplanten. In bloei zijn de drie duinsoorten makkelijk van elkaar te onderscheiden. Bij de koningskaars en de stalkaars zitten de bloempjes dicht op de stengel ‘geplakt’. Bij de zwarte toorts zitten ze op duidelijke steeltjes van enkele centimeters. De bloempjes van de stalkaars hebben een doorsnee van 3 tot 5 cm, die van koningskaars en zwarte toorts zijn kleiner, ongeveer 2 cm. De zwarte toorts is een buitenbeentje met paars wollige meeldraden en omdat hij niet tweejarig, maar overblijvend is. Dat vereist voortdurend onderhoud van de overlevende delen. De zwarte toorts maakt dan ook maar de helft van het aantal zaden van de koningskaars.
Wollecruyt
Oh ja, waar komen die namen vandaan: toortsen en kaarsen? Met hun lange stengel en felgele bloemen hebben ze wel iets weg van een brandende toorts of kaars. Er wordt zelfs beweerd dat de stengels vroeger in vet of pek werden gedoopt en aangestoken als toorts. In het oudste Nederlandse plantenboek, het Cruydeboeck van Rembert Dodoens (1554), worden ze aangeduid met de naam Wollecruyt. Ook halverwege de 19e eeuw wordt nog van wolkruid gesproken, maar in de Flora Batava (1800 – 1860) heet de koningskaars wolbladige toorts, de stalkaars puntbladige toorts (het rozet heeft inderdaad puntige ovale bladeren) en de zwarte toorts al zwarte toorts. Het moet in de twintigste eeuw geweest zijn, dat de naam ‘kaars’ in zwang is geraakt, misschien wel omdat toorts ouderwets begon te klinken.
Tekst: Eddy van der Meijden
Eddy van der Meijden is emeritus-hoogleraar Ecologie aan de Universiteit Leiden

Dit artikel verscheen in ons kwartaalblad Duin. Wilt u meer weten over de Nederlandse kust? Word donateur en ontvang Duin voortaan elk kwartaal. Of vraag een gratis proefexemplaar aan.